Herstelvisie

 
 
 
             
 
              John Bowlby [1907-1990], een Britse psychiater
              die bekend is geworden door zijn theorieën over hechting tussen
              opvoeders en kinderen.
 
              Bowlby werd, als 'upper middle class' kind, opgevoed door een
              kinderjuffrouw en zag zijn ouders zelden. Volgens de normen in
              die tijd zouden die hun kinderen toch maar te veel verwennen.
              Toen hij bijna vier was, verliet de kinderjuffrouw de familie,
              wat hij later beschrijft als een verlies zo groot als het verlies
              van een moeder. Op zijn zevende werd hij naar een kostschool
              gestuurd. Later schreef hij dat hij 'niet eens een hond naar een 
              kostschool zou sturen op die leeftijd'.
 

              Vanaf zijn veertiende volgde hij een opleiding tot marineofficier en in die tijd besloot hij om
              voor een ander beroep te kiezen. Hij ging geneeskunde en psychologie studeren (1925-1933)
              aan het Trinity College en het University College London. Gaandeweg deed hij werkervaring
              op een school voor kinderen met onaangepast gedrag. Van zijn begeleiders vernam hij dat
              sommigen van die kinderen problematisch gedrag vertoonden doordat hun primaire opvoeders
              hen hadden verlaten.
 
                In 1938 werd Bowlby president van het Trinity College.
              In de Tweede Wereldoorlog werkte hij als onderdirecteur van een kliniek voor psychoanalyse in
              in Londen. Vanaf 1950 was hij werkzaam voor de Wereldgezondheidsorganisatie als adviseur
              geestelijke gezondheid. Hij pleitte er onder andere voor adoptie van zeer jonge kinderen  
              zonder thuis. Later werkte hij voor de Child Guidance Clinic in Londen; daar waren onder meer
              kinderen opgevangen die hun ouders waren kwijtgeraakt in de oorlog.
              Zijn verdere professionele leven wijdde Bowlby aan de ontwikkeling van de hechtingstheorie.
               
              Hechtingstheorie
             
              Een van de vroegere bevindingen van Bowlby (1938) was de stelling dat een verbroken moeder-
              kindrelatie in de eerste drie jaar vaak leidt tot emotioneel teruggetrokken gedrag van het kind.
              In de jaren 1940-1950 formuleerde hij zijn theorie op basis van studies naar minderjarige
              delinquenten. Zijn vooronderstelling is dat kinderen genetisch 'geprogrammeerd' zijn om zorg te
              verkrijgen in de periode van kinderlijke hulpeloosheid. Door te huilen uiten zij niet slechts hun
              behoefte aan voeding maar zoeken zo ook naar aandacht en nabijheid van vaste verzorgers.
              Door die nabijheid voelt het kind zich veilig en kan het zijn omgeving gaan exploreren.
 
 

 
Bowlby concludeerde dat een langdurig afwezige band tussen moeder en kind in de eerste drie levensjaren leidt tot een onomkeerbaar negatief effect op de geestelijke gezondheid van het kind.
 
Bowlby erkende tevens dat ook andere opvoeders in een 'moederlijke' zorg konden voorzien. De affectieve relatie tussen leidster en kind is
recent een essentieel aandachtspunt geworden in de kinderopvang.
 
                                                                          

De hechtingstheorie leert dat het verstandig is om huilende baby's niet te lang laten huilen maar ze te troosten.   

 

   Tevens verklaart de theorie dat ondervoede of mishandelde
kinderen toch loyaal aan hun ouders blijven. Ze zijn aan hen gehecht, ondanks dat er geen sprake is van een veilige hechtingsrelatie.
 
____________________________________________________________